Eeuwenlang heeft de mens geschreven.
Eeuwenlang heeft de mens het geschrevene gekopiëerd om kennis te behouden en door te geven. Tot de Boekenwet van 1803.
Na een economisch welvarende tijd had men zoveel vrije tijd en luxe gekregen, dat men zich kon veroorloven om naast het schrijven niets anders te doen. En die luxe wilde men uiteraard in stand houden. Uiteraard, want na het kennen van luxe is het altijd moeilijk inleveren. Dat zie je weer bij iedere bezuinigingsmaatregel van iedere regering: ookal wordt er pas sinds één jaar geld in iets gestoken, men komt in het verweer wanneer dat dreigt te stoppen.
Natuurlijk, mooie dingen moet je behouden, maar ten koste van wat?
Schrijven is een industrie geworden; steeds vaker staan er schrijvers op die hun, al dan niet tijdelijke, succes te danken hebben aan een cursus die erop gericht is om van schrijven je broodwinning te maken en hun werken schrijven in een computerprogramma dat de contemplatie vervangt door een rood scherm wanneer er niet genoeg woorden per minuut uit het deadlinegerichte brein van de meester komen.
Het resultaat is dat meer en meer schrijvers op elkaar gaan lijken en dat de grenzen van literatuur vervagen, waardoor extremisme in de hand wordt gewerkt: een deel dat vindt dat Kluun topliteratuur is en een deel dat vindt dat literatuur slechts gekenmerkt wordt door taalvirtuositeit en liefst hoge leeftijd van de auteur.
Na de Boekenwet van 1803 volgde een tijdelijke wet van 1814 tot 1817 en vervolgens een vrij strenge wetgeving in 1817.
Opmerkelijk is dat in 1869 deze wet kwam te vervallen ‘om monopolievorming tegen te gaan’.
De huidige auteurswet stamt uit 1912 en is in de loop der jaren aangepast om na een verdronken kalf aan te sluiten op nieuwe media.
Want natuurlijk was de grammofoon de nekslag voor orkesten, televisie deed toneel de das om, het cassettebandje was de doodsteek voor hard werkende artiesten en nu veegt internet de vloer aan met alle ‘oude’ media.
Hoewel aangepast, blijft de vraag natuurlijk: is de wet correct en zinvol aangepast? Enerzijds staat iedere overheid erom bekend conservatief te zijn, niet door onwil, dan wel door onkunde en gemiddelde leeftijd. Anderzijds is meermaals aangestipt dat je overheden, door deze, al dan niet onbedoelde, vorm van conservatisme, zich van alles laten wijsmaken op gebied van nieuwe technieken.
Hoe vaak is het al niet voorgekomen dat juist overheden het dubbele neertelden voor een project van wat burgers zouden betalen? Hoe vaak, zeker op IT-gebied, is een ter zake onbekwaam politicus met een idee gekomen, waar de industrie een aan de buitenkant zichtbaar aansluitende oplossing voor neerzette, die onder de oppervlakte menig andere wet schond?
Hoewel het door de gelijkende inhoud onhandig is om de twee een compleet andere naam te geven, heeft een e-book bijzonder weinig te maken met een boek: een boek zet je in de kast en als je het nooit eruit pakt dien je het af en toe af te stoffen. Als je het geregeld pakt is zelfs dat niet nodig.
Zelfs in onze wegwerpcultuur gaat een goedkope pocket, mits goed behandeld, nog tientallen jaren mee. Gebonden boeken, afhankelijk van de kwaliteit, kunnen een paar honder jaar mee.
En een e-book? Daar dien je sowieso altijd al een backup van te hebben, want je kun tenslotte per ongeluk met één muisklik je boekenkast de vernieling in helpen, als die muisklik al nodig is, want voor het zelfde geld word je boekenkast ziek en moet je hem desinfecteren. Weg boekenkast.
Maar mag die backup wel? Steeds vaker wordt het recht op de thuiskopie ingeperkt door de uitgever.
“je mag dit boek slechts één keer in je kast hebben staan, niet tweedehands verkopen en de boekenkast moet van een specifiek merk en type zijn.”
Na twee eeuwen van bescherming en promotie wordt het wennen voor Schrijver 2.0 om mee te komen met Web 2.0. Hij zal moeten evolueren. Net als Auteurswet 2.0
Zoals Darwin schreef in zijn literaire werk, niet zelden verkeerd aangehaald: “Het overleven van de *meest aangepaste*”, wat direct duidelijk maakt dat echte, tijdloze beroemdheid niet te koop is met macht of geld, maar met kwaliteit.
Literatuur dient niet bepaald te worden door wat bestand is tegen virussen, hackers, wishlists of harde schijfcrashes, maar door de weerstand tegen de vergetelheid.
Dat maakt echte literatuur bijna per definitie minimaal 25 jaar oud: is het het waard om aan onze kinderen door te geven?
Kanshebbers kunnen we uiteraard aanwijzen, maar of Kluun’s boeken, en vooral welke, tot de literatuur zullen behoren, zullen we pas over enkele decennia weten.
Tot die tijd draag ik mijn steentje bij door e-books te beta-testen: kan ik ze als vliegenmepper gebruiken? Staan ze mooi in de kast? Zijn ze zwaar genoeg om LP’s recht te buigen of mijn kinderen te helpen bloemen en bladeren te drogen?
Genoeg clownesque grollen, ik begin een auteur 1.5 te lijken.
Dan liever 2.0 met vrije licenties en alom toegankelijke kennis.
Eeuwenlang heeft de mens geschreven.
Eeuwenlang heeft de mens het geschrevene gekopiëerd om kennis te behouden en door te geven. Tot de Boekenwet van 1803.
Na een economisch welvarende tijd had men zoveel vrije tijd en luxe gekregen, dat men zich kon veroorloven om naast het schrijven niets anders te doen. En die luxe wilde men uiteraard in stand houden. Uiteraard, want na het kennen van luxe is het altijd moeilijk inleveren. Dat zie je weer bij iedere bezuinigingsmaatregel van iedere regering: ookal wordt er pas sinds één jaar geld in iets gestoken, men komt in het verweer wanneer dat dreigt te stoppen.
Natuurlijk, mooie dingen moet je behouden, maar ten koste van wat?
Schrijven is een industrie geworden; steeds vaker staan er schrijvers op die hun, al dan niet tijdelijke, succes te danken hebben aan een cursus die erop gericht is om van schrijven je broodwinning te maken en hun werken schrijven in een computerprogramma dat de contemplatie vervangt door een rood scherm wanneer er niet genoeg woorden per minuut uit het deadlinegerichte brein van de meester komen.
Het resultaat is dat meer en meer schrijvers op elkaar gaan lijken en dat de grenzen van literatuur vervagen, waardoor extremisme in de hand wordt gewerkt: een deel dat vindt dat Kluun topliteratuur is en een deel dat vindt dat literatuur slechts gekenmerkt wordt door taalvirtuositeit en liefst hoge leeftijd van de auteur.
Na de Boekenwet van 1803 volgde een tijdelijke wet van 1814 tot 1817 en vervolgens een vrij strenge wetgeving in 1817.
Opmerkelijk is dat in 1869 deze wet kwam te vervallen ‘om monopolievorming tegen te gaan’.
De huidige auteurswet stamt uit 1912 en is in de loop der jaren aangepast om na een verdronken kalf aan te sluiten op nieuwe media.
Want natuurlijk was de grammofoon de nekslag voor orkesten, televisie deed toneel de das om, het cassettebandje was de doodsteek voor hard werkende artiesten en nu veegt internet de vloer aan met alle ‘oude’ media.
Hoewel aangepast, blijft de vraag natuurlijk: is de wet correct en zinvol aangepast? Enerzijds staat iedere overheid erom bekend conservatief te zijn, niet door onwil, dan wel door onkunde en gemiddelde leeftijd. Anderzijds is meermaals aangestipt dat je overheden, door deze, al dan niet onbedoelde, vorm van conservatisme, zich van alles laten wijsmaken op gebied van nieuwe technieken.
Hoe vaak is het al niet voorgekomen dat juist overheden het dubbele neertelden voor een project van wat burgers zouden betalen? Hoe vaak, zeker op IT-gebied, is een ter zake onbekwaam politicus met een idee gekomen, waar de industrie een aan de buitenkant zichtbaar aansluitende oplossing voor neerzette, die onder de oppervlakte menig andere wet schond?
Hoewel het door de gelijkende inhoud onhandig is om de twee een compleet andere naam te geven, heeft een e-book bijzonder weinig te maken met een boek: een boek zet je in de kast en als je het nooit eruit pakt dien je het af en toe af te stoffen. Als je het geregeld pakt is zelfs dat niet nodig.
Zelfs in onze wegwerpcultuur gaat een goedkope pocket, mits goed behandeld, nog tientallen jaren mee. Gebonden boeken, afhankelijk van de kwaliteit, kunnen een paar honder jaar mee.
En een e-book? Daar dien je sowieso altijd al een backup van te hebben, want je kun tenslotte per ongeluk met één muisklik je boekenkast de vernieling in helpen, als die muisklik al nodig is, want voor het zelfde geld word je boekenkast ziek en moet je hem desinfecteren. Weg boekenkast.
Maar mag die backup wel? Steeds vaker wordt het recht op de thuiskopie ingeperkt door de uitgever.
“je mag dit boek slechts één keer in je kast hebben staan, niet tweedehands verkopen en de boekenkast moet van een specifiek merk en type zijn.”
Na twee eeuwen van bescherming en promotie wordt het wennen voor Schrijver 2.0 om mee te komen met Web 2.0. Hij zal moeten evolueren. Net als Auteurswet 2.0
Zoals Darwin schreef in zijn literaire werk, niet zelden verkeerd aangehaald: “Het overleven van de meest aangepaste“, wat direct duidelijk maakt dat echte, tijdloze beroemdheid niet te koop is met macht of geld, maar met kwaliteit.
Literatuur dient niet bepaald te worden door wat bestand is tegen virussen, hackers, wishlists of harde schijfcrashes, maar door de weerstand tegen de vergetelheid.
Dat maakt echte literatuur bijna per definitie minimaal 25 jaar oud: is het het waard om aan onze kinderen door te geven?
Kanshebbers kunnen we uiteraard aanwijzen, maar of Kluun’s boeken, en vooral welke, tot de literatuur zullen behoren, zullen we pas over enkele decennia weten.
Tot die tijd draag ik mijn steentje bij door e-books te beta-testen: kan ik ze als vliegenmepper gebruiken? Staan ze mooi in de kast? Zijn ze zwaar genoeg om LP’s recht te buigen of mijn kinderen te helpen bloemen en bladeren te drogen?
Genoeg clownesque grollen, ik begin een auteur 1.5 te lijken. Dan liever 2.0 met vrije licenties en alom toegankelijke kennis.